De Eerste Wereldoorlog wordt soms als de eerste “moderne” oorlog omschreven, maar ondanks de nieuwe technologieën blijven de militaire dieren onmisbaar. Het paard, de muilezel, de hond of de duif zijn immers polyvalent en vervullen bij het transport, de bevoorrading, de communicatie of de gezondheidsdienst de meest uiteenlopende taken. De dieren worden aan dezelfde gevaren als de soldaten blootgesteld.
De loopgravenoorlog wordt gekenmerkt door ononderbroken vijandelijkheden op een modderig terrein en door onophoudelijk artilleriegeschut. Honden werden ingezet om berichten over te brengen tussen het hoofdkwartier achter het front en de voorste linies. Ze waren niet aleen snel, maar ook betrouwbaar en behendig.
Omdat het zo moeilijk is om gewonden op te sporen en af te voeren uit de voorste loopgraven, worden ook hier honden ingezet . Deze kunnen overal geraken en met hun fijne neus speuren ze in de verste uithoeken van het slagveld dag en nacht naar gewonden. Wanneer de hond een gewonde vindt, meldt hij zijn aanwezigheid door aan zijn meester/brancardier een bezitting van de gewonde over te maken. Daarna toont hij de weg, zodat de gekwetste kan worden afgevoerd en verzorgd. De hond wordt soms voor een karretje gespannen en kan zo één of twee gewonden op een draagberrie vervoeren. Achter het front kunnen ziekenwagens, getrokken door paarden, de gewonden verder naar het ziekenhuis voeren.

Net zoals de mensen, worden ook de dieren slachtoffers van de oorlog. Dodelijke kwetsuren, uitgeput, ziektes. Temeer daar honden worden ingezet voor de gevaarlijkste operaties, om mensenlevens te sparen.
Al gauw zitten de Duitse legers door hun ‘voorraad’ honden heen. Het thuisfront wordt opgeroepen om honden af te staan ‘voor het vaderland’. Duizenden honden worden ingelijfd. Wanneer dit niet volstaat, worden in België alle honden opgeëist met een schofthoogte van meer dan 40 cm.

Cyril Rubens leidt de vereniging Recreon rond op de tentoonstelling 'Paal in de Groote Oorlog'.
Hier staat hij even stil bij het paneel 'honden'

paneelhondenindeoorlog

Op 19 september 1918, wanneer de oorlog op zijn einde loopt, worden ook in Limburg alle grote honden aangeslagen. In Paal zijn dat 33 dieren. De Duitse legerleiding belooft van ‘later’ een schadevergoeding uit te betalen. Hun gemiddelde waarde varieert tussen 25 fr en 50 fr. Nochtans vraagt Felix Verboven een vergoeding van 300 fr voor zijn hond. Hij laat zelfs speciaal optekenen: deze hond van 35 mark is door de Duitsche Feldgendarmen teruggehaald met belofte dat zijnen hond zoude weergezonden worden…
Nog geen twee maanden later wordt de Wapenstilstand gesloten en trekken tienduizenden verslagen Duitse troepen met hun hebben en houden via Limburg terug naar Duitsland. Ook zij zetten hondenkarren in om voedsel, uitrusting en materiaal te vervoeren. Misschien zijn overlevende Paalse honden ook wel naar Duitsland getrokken…

Deze Paalse hond had even geluk !

Frans Lucas was de overgrootvader van Maurice Lucas en de vader van Gustaaf, de schoenmaker van Tervant- Paal.
Het ouderlijk huis lag in de huidige Sparrenstraat van het gehucht Oelen. Op alle afgelegen boerderijen had men een waakhond.
Maurice weet nog dat de hond ook werd gebruikt in de tredmolen om te boteren.
Voor elke hond moest men op het gemeentehuis een zgn. hondenpenning afhalen en werd het dier met zijn eigenaar ingeschreven.  Bij controle namen de Duitsers de registers van hondeneigenaars in beslag.
Dan moest de veldwachter op pad om alle eigenaars naar Beringen te sturen om hun dier te laten keuren.  Waarschijnlijk planden zij in september 1918 reeds hun terugtocht en moesten de dieren dienen als trekhond.

Ook Frans Lucas moest zich met zijn hond aanbieden op de hondenkeuring in Beringen.  De hond werd afgekeurd ...
Was het omdat hij/zij reeds 7 of 8 jaar oud was of omdat het dier niet sterk genoeg was?
Soms moet je in het leven een beetje geluk hebben ...

 

 

 

WO I Maurice Lucas 1