- Details
- Categorie: Geschiedenis van de Limburgse dialecten
De Limburgse dialecten stammen via een aantal “voorouders” af van het Indo-Germaans of Indo-Europees (beide betekenen hetzelfde, maar Indo-Europees dekt de lading beter.
Er bestaan 2 theorieën over het land of de regio waar het Indo-Europees zijn oorsprong vindt.
- Details
- Categorie: Geschiedenis van de Limburgse dialecten
De Germaanse talen ontstonden uit het Indo-Europees door enkele opvallende veranderingen: klankverschuivingen.
Bij de eerste of Germaanse klankverschuiving verschoven bepaalde medeklinkers uit het Indo-Europees tot andere medeklinkers in het Germaans. Omdat al de Germaanse talen deze klankverschuiving ondergingen, moet deze plaats gevonden hebben toen de Germaanse talen nog (een zekere) eenheid vormden.
Lees meer: 02. De voorouders van de Limburgse dialecten: de Germaanse aftakking
- Details
- Categorie: Geschiedenis van de Limburgse dialecten
HET OOST- EN WESTNEDERFRANKISCH EN DE KEULSE EN BRABANTSE INVLOEDEN
Het Oudnederfrankisch werd gesproken tussen (bij benadering) de 5de en de 12de eeuw in een groot deel van wat nu Nederland, België, het westen van Noord-Frankrijk, het Rijnland en Westfalen (beide Duitsland) zijn.
Zoals al aangehaald splitst het Oudnederfrankisch zich ook weer op, waardoor het Westnederfrankisch (de dialecten die later in hoofdzaak aan de oorsprong van het Nederlands liggen) en het Oostnederfrankisch (rechtstreekse “voorouder” van de Limburgse dialecten en het Rijnlands) ontstaan.
Lees meer: 03. De voorouders van de Limburgse dialecten: van Westgermaans naar Oostnederfrankisch
- Details
- Categorie: Geschiedenis van de Limburgse dialecten
Weinigen van ons staan er bij stil dat, wanneer ze over de Tessenderlosesteenweg naar het vlakbij gelegen Hulst fietsen, een belangrijke grens gepasseerd wordt. Een taalgrens. Bij het oversteken van de Winterbeek stopt het ich/mich gebied. In Tessenderlo doen ze niet meer mee. Het gaat hier om een isoglosse (afgrenzing van een taalverschijnsel) die bekend staat als de Uerdingerlijn.
- Details
- Categorie: Geschiedenis van de Limburgse dialecten
Ich maak vur óch en mich ooch zoe'een hètteke !
Omdat het verloop van de Uerdingerlijn op verschillende kaarten (zelfs bij dezelfde makers) soms afwijkt, hebben we het verloop nagegaan aan de hand van verschillende bronnen (R.N.D.-enquête, dialectwoordenboeken, bestaande studies, lokale dialectsprekers, eigen enquêtes, navraag bij dialect- en heemkundige verenigingen,…).
Lees meer: 05. De Buiting tussen de Uerdinger- en de Benratherlijn
- Details
- Categorie: Geschiedenis van de Limburgse dialecten
Vanwaar komen toch al die taalgrenzen, lijnen en isoglossen?
We schreven in de vorige aflevering al over de Uerlingerlijn die de grens vormt tussen het taalgebied van Paal en dat van Tessenderlo, en de Benratherlijn.
Zo zijn er nog vijf dialectgrenzen, isoglossen genoemd, die het Limburgse taalgebied tussen de Uerdingerlijn en de Benratherlijndoor lopen nl., (van west naar oost), de Getelijn, de betoningslijn, de Panningerzijlijn , de Panningerlijn en de -lijk/-lich – lijn.
Lees meer: 06. De Buiting in de loopgraven van het westelijk (taal)front
- Details
- Categorie: Geschiedenis van de Limburgse dialecten
“Ah, gij zijt van De Limburg ? “ Werd die vraag ook al aan jou gesteld ? Dan is dat waarschijnlijk omdat de niet-Limburger een zangerige toon meende te herkennen. Terecht of niet ? Zingen wij ook in het Buitings ?
‘De Limburg’, de toevoeging van ‘de’ heeft iets koloniaals, zoals Belgen vroeger naar ‘de Congo’ trokken. Merkwaardig, we komen dit neerbuigende lidwoord ook tegen in ‘De Buiting’ …
Maar nee, we gingen het over onze zangkunsten hebben !
- Details
- Categorie: Geschiedenis van de Limburgse dialecten
De rijkdom aan dialecttalen in onze streek is niet te schatten.
p>
Zoals eerder gezegd worden de grote dialectregio’s van het Limburgs/Oostnederfrankisch nog eens onderverdeeld in subregio’s met dialecten die onderling meer gemeenschappelijke kenmerken hebben.
De grote regio’s van van het Limburgs deelt het W.L.D. ( Woordenboek der Limburgse dialecten) als volgt in:
- Details
- Categorie: Geschiedenis van de Limburgse dialecten
In de vorige aflevering werd al duidelijk dat het noordwesten van Belgisch Limburg niet eenvoudig in te delen is in dialectregio’s volgens de gekende isoglossen.
Dit komt omdat twee van de drie isoglossen die doorheen de regio lopen er geen strakke grens vormen.
De Uerdingerlijn (ich/mich) is eenvoudig te trekken maar de Getelijn en de betoningslijn zijn dit niet. Om toch tot een werkbare indeling te komen opteerde men bij de W.L.D.-indeling voor de benaming “Beringerlands” voor deze regio, bestaande uit Beringen, Paal, Tervant, Heppen , Beverlo, Korspel en Eversel.
Maar ook Oostham kan men erbij rekenen.
Als we het Beringerlands eens van dichterbij bekijken valt er toch iets op wat de verhouding van deze plaatsen t.o.v. de Getelijn betreft.
Lees meer: 09. Het Beringerlands op de schommel tussen Brabant en Limburg
- Details
- Categorie: Geschiedenis van de Limburgse dialecten
In de vorige aflevering stelden we al de vraag of het Buitings, Tervants en Berings eerder bij het West-Limburgs dan bij het Getelands moeten gerekend worden. De Getelandse dialecten situeren zich tussen de Uerdingerlijn (Limburgse kant) en de Getelijn (Brabantse kant). Bepalend voor deze indeling is de “betoningslijn”: loopt ze langs of door onze dorpen?
In het het aangrenzende West-Limburgse Demerkempens hebben stoottonen en sleeptonen grotendeels hun functie behouden (o.a. Stal, Koersel, Heusden, Lummen, Hechtel,…..). Toch durven we stellen dat ook in het Beringerlands nog sporen van betoning te vinden zijn die erop wijzen dat dit systeem er ooit voorkwam.
In het ene dorp is dit al wat duidelijker dan in het andere. Als dit klopt kunnen we besluiten dat het Beringerlands toch wat “Limburgser” is dan tot nog toe werd aangenomen.
Lees meer: 10. Buitings, Tervants en Berings: dichter bij het Limburgs dan eerst gedacht !?
- Details
- Categorie: Geschiedenis van de Limburgse dialecten
In “Enkele isoglossen rondom Beringen” stelt R. Keulen dat de Getelijn in het noorden als een minder sterke grens beschouwd moet worden dan in het zuiden (in het zuiden vormt de Getelijn een strakkere bundel). Verder stelt hij ook vast dat de gegevens voor het noordwesten niet altijd even betrouwbaar zijn.
Bovenstaande bedenkingen, gecombineerd met tegenstrijdige gegevens uit het verleden en onze eigen twijfels over enkele woorden waarbij men Paal tot het westen rekent, zetten ons aan een bijkomend onderzoek uit te voeren.
- Details
- Categorie: Geschiedenis van de Limburgse dialecten
In vorige afleveringen wezen we er al op dat het Limburgse/Oostnederfrankische taalgebied tussen de Uerdingerlijn en de Benratherlijn opgedeeld wordt door isoglossen die elk op een bepaalde plaats van de Uerdingerlijn afsplitsen om een eigen verloop te volgen richting taalgrens. Zo delen deze isoglossen het Limburgse/Oostnederfrankische taalgebied op in grote dialectregio’s met plaatsen die meer taalkundige eigenschappen gemeenschappelijk hebben met elkaar dan met plaatsen buiten de eigen regio. Op hun beurt worden deze grote dialectregio’s nog eens onderverdeeld in subregio’s. In de buurt van Paal en Tervant liggen verschillende dialectregio’s.
- Details
- Categorie: Geschiedenis van de Limburgse dialecten
Nog meer oostelijke kenmerken in het Buitings ? De oude Rijnlandse invloeden zijn nog duidelijk merkbaar!
In de vorige aflevering over de Getelijn waren we al tot de bevinding gekomen dat ons dialect meer woordvormen deelt met de oostelijke (Limburgs georiënteerde) dialecten, dan met de westelijk (Brabants) georiënteerde. De conclusie die zich opdringt is dat er voldoende aanwijzingen zijn om het Buitings tot het Demerkempens te rekenen, eerder dan tot het aangrenzende Getelands. In deze en volgende aflevering belichten we enkele typische oostelijke taalkenmerken die we ook in het Buitings aantreffen, zoals umlaut, rekking en specifieke vormen van het persoonlijke voornaamwoord.
- Details
- Categorie: Geschiedenis van de Limburgse dialecten
Eén van de eigenaardigheden die buitenstaanders opvallen aan het oude Buitingse dialect is het behoud van de oud-Germaanse “sk” in woorden zoals “skool, skiep, skóun, skaim,…” (school, schip, schoenen, schuim,…). Onze historicus Luc Vandewijer vertelde al op de dialectavond van vorig jaar dat hij als nieuwe student in ’t college van Beringen uitgelachen werd omdat hij naar ‘’t skool’ kwam. De sk-klank moet zijn medeleerlingen heel vreemd in de oren geklonken hebben, in een tijd dat Niels Destadsbader en zijn ‘skwon meisken’ nog niet geboren, laat staan een succes waren.
In al de dialecten in de onmiddellijke en ruimere omgeving (en in het Nederlands) verschoof de “sk” tot “sch”. Volgens sommige bronnen zou de “sk”-klank nog dateren van voor onze tijdsrekening. De “sk”-klank is vooral bewaard gebleven in de Noord-Germaanse talen, de kustdialecten (Fries, West-Vlaams,…), een regio in het oosten van Noord-Brabant en het Pajottenlands.
Lees meer: 13. Eigenaardige kenmerken van het Buitings: de onverskove sk
- Details
- Categorie: Geschiedenis van de Limburgse dialecten
Het Buitings afgezet tegen de ons omringende dialecten (deel 1)
Voor de omgeving van Paal en Tervant komen er in het “Böetings” enkele “aa”/ “aai-”klanken voor die men als typisch “Buitings” ervaart omdat deze klanken niet voorkomen in de andere dialecten in de nabije omgeving… behalve voor een aantal die ook in Lummen te vinden zijn (hierover later meer). Aan de hand van specifieke woorden kijken we eens naar klankverschillen en klankovereenkomsten vanuit het Buitings naar de omgeving. De woorden zijn gekozen om een algemeen beeld te vormen, maar zijn geen volledige studie. Om te vergelijken namen we de volgende woorden:
