Pútteke
| Term | Definitie |
|---|---|
| Pútteke | Pootje, voetje - last van jicht hebben (enkel): " "t pútteke hemme" ; iemand doen struikelen, pootje haken: " pútteke lappe" Ze hadden mijn vrouw bestolen, omstaanders hadden hem voetje gelicht en toen hebben we hem gevat. "Ze haan men vroo hurre portemenee gepikt, mer umstönders haan den doader pútteke gelapt en tóun hemme we" m kunne pakke." "Elkes kier as "m wa geleuterd had annne fles kreeg "m "t pútteke." |
