Gat
| Term | Definitie |
|---|---|
| Gat | 1. Zitvlak, achterwerk 2. Opening - Hij kan niet stilzitten: 'Dieje hèt gie zittend gat !' -; hij zal moeten wennen: ' 't zal ze gat voare ! ' Wanneer je er de brui aan geeft omdat het niet lukt. 'Dattet dink mè gat kust.' Ze was op haar teen getrapt. 'Ze war in hur gat gebete.' |
