Siepsappe:
Melken (klanknabootsing, kindertaal) fig. niet opschieten
Deem: tepel aan uier van koe of geit (< herkomst onzeker, maar gelijkenis met 'daim' (duim) is waarschijnlijk)
Een ‘snelzèker’ is een woord dat nog meer tot de verbeelding spreekt. Wat moeten wij ons daar in ’s hemelsnaam bij voorstellen ? Een slip die tot de verbeelding spreekt ?
Jongeren onder de 80 kunnen best het internet aanspreken, de echte volwassenen zullen in hun geheugen graven naar die geheimzinnige herinnering aan dat olijke kledingstuk van ons moemoe dat vrolijk aan de waslijn hing te wapperen of uitnodigend op de dries lag te ‘blèke’ in het lentezonnetje.
Om een lang verhaal kort door de bocht te maken: een snèlzèker was een slip zonder naad.
Waar dat goed voor was ? Euh …
Tja, het was natuurlijk behelpen, maar we kunnen er ons een snelle boodschap bij inbeelden. Het is een ochtend in de lente, een beetje fris aan de ogen, de boerin staat om zes uur op om de koeien te melken die sinds veertien dagen weer in de wei lopen. Ze schuifelt nog slaapdronken met het ‘möllekstulke’ (melkkrukje) en de emmer in de hand door het bedauwde gras naar Bella, want die staat het dichtstbij. Greta en Wies en de anderen zullen wel komen als ze het geluid van het siepsappen horen. Bella ruikt lekker naar mest en vers geploegde akkers. De boerin graait haar in de malse uier, masseert de demen, ze spant de melkemmer tussen de knieën en daar komt die vertrouwde melodie: siep sap … siep sap. De warme straal
melk spat gezapig op de bodem van de emmer. Greta spitst de oren.
Tussen de benen van de boerin vult zich de emmer, maar spant zich ook haar blaas. Het geluid van het siepsappen zet organen in beweging. De emmer is halfvol, maar het water van de boerin blaast alarm. De boerin stijgt van haar melkkruk, neemt de emmer en gaat de wachtende Greta voorbij. De emmer staat tegen een struik met 'poezekes' (katjes van de wilg). Greta snuift, haar demen staan gespannen, waar is de boerin ?
Achter de struik met poezekes speelt zich een wonderlijk tafereel af. Kledingstukken worden geheven en verschoven, maar meer ook niet. Vlakbij in de wei laat Greta een boer en zeikt ondertussen onbeschroomd een krachtige dikke straal in het malse gras. Niemand heeft wat gehoord of gezien, de boerin heeft de emmer alweer in de hand en giet de lauwe melk in de melkkruik. “Kom Greta,” grijnst ze, zelfvoldaan. Achter de struik met katjes heeft de dichteres snel een gedicht geschreven.
|
Snelzèker
Moe ès den tèèd da gè zoe werm Inne stal kond stön en ich Inne walm van hoe-i en vloai’e Mé kinnerhoan rond ur deme Op urre siepsapölleger mocht spele
|
 |
Snelle slip
Waar is de tijd dat jij zo warm in de stal kon staan, en ik in een walm van hooi en vlaaien met tedere hand rond jouw spenen op je melkorgel mocht spelen
|