Tot 1239 had Paal eenvoudig integraal deel uitgemaakt van Beringen, zonder eigen benaming, tenzij dan de benamingen van de verschillende, afzonderlijke gehuchten, Tervant, Meelberg, Rijssel, Brelaar, Geenhout, Gestel en Pael. Voortaan kregen al deze gehuchten een overkoepelende naam tegenover de stad Beringen, als “de Buiting”. Ook qua recht kwam er een onderscheid tussen Beringen en de Buiting. Beringen werd in 1239 ontheven van het Loonse recht, het rechtssysteem van het graafschap Loon en volgde van dan af het Luikse stadsrecht met eigen wetten en een eigen gerecht. De Buiting daarentegen bleef gebonden door het oude Loonse recht met o.a. de dode hand, waarbij de “Heer” beslag mocht leggen op het bezit van zijn onderhorige of een deel ervan, de beste koe of een paard bijvoorbeeld. De “dode hand” was een bron van grote ergernis, dat spreekt. 

Beringhen 1a

Alhoewel ze dus niet dezelfde rechten hadden als de inwoners van de stad Beringen, moesten de inwoners van de Buiting toch hun deel blijven dragen in de lasten van de stad Beringen. Deze opbrengsten kwamen haast uitsluitend ten goede aan de inwoners van de binning, de stad Beringen.

een groot twistpunt, we zouden bijna kunnen zeggen een “eeuwig twistpunt” tussen Beringen en de Buiting… 

 

André Luyten

(wordt vervolgd!)