Het dorp van mijn jeugd zag er helemaal anders uit dan nu.
Zestig jaar geleden was Paal zoals alle dorpen van Vlaanderen één groene oase. De weiden en akkers liepen tot tegen het dorpscentrum. We gingen naar school langs hagen en heggen. In de dorpskom stonden overal nog bomen en struiken. Langs de grachtkanten bloeiden alle soorten veldbloemen. ’s Avonds kwaakten de kikkers in de kuilen (kaile) in de weiden en in de grachten. Overal in het struikgewas en op de grond maakten de vogels nesten. Leeuweriken en kwikstaartjes begeleidden ons naar school. Langs de grote kasseisteenweg door Paal stonden statige eiken vol leven, van vogels en insecten. De “koeievlaaien” en paardenstronten lagen overal in de modderstraten en op de wegen. ’s Nachts bewaakten de kerkuilen heel de dorpskom.